Interview met Maarten Witkam
gepubliceerd op 18 aug 2017 door Johan Visser

‘Het ging bij ons vooral uit van de gedachte dat mensen een dak boven hun hoofd moeten hebben.’

De eerste kraakactie
Maarten Witkam (1948) kwam in 1973 uit Den Haag naar Leiden toe, vanwege een stage die hij als student aan de Sociale Academie liep. Hij hielp mee met het opzetten van de Onderwijswinkel in Leiden Noord, een buurtcentrum dat scholieren ondersteunde en op deze manier schooluitval tegenging. In augustus 1975 trad hij in dienst van de Onderwijswinkel als WSW’er; de Wet Sociale Werkvoorziening regelde in de jaren zeventig en tachtig aanstellingen voor veel maatschappelijk werkers. Maarten had hierdoor formeel een dienstverband, ook al werd dat door instanties niet altijd zo gezien.

Inmiddels woonde Witkam in Leiden, maar desondanks kon hij niet ingeschreven worden bij het Bureau Huisvesting, dat de distributie van huurwoningen in Leiden organiseerde. Witkam: ‘Volgens Huisvesting waren we niet economisch gebonden aan Leiden, omdat we WSW’ers waren. Wij zeiden: “Maar we werken toch in Leiden?”“Maar we werken toch in Leiden?” Volgens Huisvesting telde ons werk voor de Onderwijswinkel niet, want dat was volgens hen geen vaste baan. En we waren ook niet gehandicapt. De jaren daarvoor telden ook niet, omdat we toen student waren. Huisvesting weigerde ons dus in te schrijven als woningzoekende, maar we zaten best knijp, want de huisbaas wilde ons eruit zetten.’

Kortom: alle legale manieren om aan woonruimte te komen waren geblokkeerd.Omdat Witkam niet via de gemeente aan een woning kon komen, werd kraken de enige optie. ‘We zaten in een klein kamertje van drieënhalf bij tweeënhalf in de Janvossensteeg. Omdat we conflicten hadden met de huisbaas, die ook min of meer eigenaar was van het pand van de Onderwijswinkel, werd er veel druk op ons uitgeoefend. We hadden het nog wel even vol kunnen houden, door bijvoorbeeld een ander slot op de deur te zetten, maar de situatie werd penibel. Inschrijving bij Huisvesting werd ’m dus niet. Dat had allemaal nare gevolgen. Zo stond er een pandje te koop in de Sofiastraat – vlakbij de Onderwijswinkel – voor zo’n dertigduizend gulden, maar toen we het wilden kopen, bleek dat je daarvoor een woonvergunning nodig had. Die kregen we niet, omdat we niet bij Huisvesting ingeschreven waren. Kortom: alle legale manieren om aan woonruimte te komen waren geblokkeerd. We stonden wel op een wachtlijst bij de Stichting Huisvesting Werkende Jongeren, maar de wachtlijst was eindeloos. Zo kwamen we toen op kraken, want we moesten echt de Janvossensteeg uit.’

‘We hadden weinig tot geen ervaring met kraken. We hadden wel eens gehoord van mensen die gekraakt hadden, maar meer ook niet. In november 1975 deden we onze eerste poging. We probeerden eerst een pand aan de Ravenhorst. We waren met zes of zeven mensen en we hadden een busje geleend met wat spulletjes, zodat we er meteen in konden trekken. Maar we werden direct gepakt omdat iemand de politie had gebeld. We hadden begrepen dat we de agenten niets moesten zeggen, zelfs onze namen niet. Achteraf bleek dat dat laatste wel had gekund, maar we hadden nog geen enkele ervaring. We hadden het nog nooit gedaan. Op het politiebureau heb ik onze situatie uitgelegd aan een rechercheur. Peter Scheffer heette ie. Later kwam ik hem nog wel eens tegen. Scheffer begreep ons wel. Ik hoor hem nog zeggen: “Allerlei beroepswerklozen krijgen wel een woning en jullie werken nota bene en krijgen niets?” Ze hebben ons toen laten gaan. De rechercheur zei bij ons vertrek uit het bureau: “Ik geef je groot gelijk, maar dat moet je maar niet zeggen. Doe de volgende keer rustiger aan.”

Het kraken van de Ravenhorst mislukte, maar er was nog een andere optie. ‘We hadden een ander pand achter de hand gehouden. Dat was de Arendshorst. Via kennissen wisten we hoe we binnen moesten komen. De dunste van ons is door een klein bovenraampje naar binnen geklommen. De verwarming deed het en we hadden water. Verder was het een kwestie van gas en licht aanvragen en borg betalen. Je moest dan een naam opgeven. De eigenaar van de woning was de Gemeentelijke Woningstichting (GWS), toen de grootste woningbouwvereniging van Leiden. Volgens onze nieuwe buren had de flat vier of vijf jaar leeggestaan.’

De Ravenhorst en Arendshorst bevonden zich in de nieuwbouwwijk Merenwijk, waar in die tijd veel leegstand was en regelmatig gekraakt werd. ‘Je had een band: Katapult. Die hadden een andere gaanderij op de Arendshorst gekraakt. Er zaten wel meer krakers daar, vooral in de Arendshorst. De Arendshorst was een flat die ook wel als wisselwoning bij renovaties werd gebuikt. Mensen woonden daar tijdelijk wanneer hun eigen woning gerenoveerd werd. Het was dus een soort van reserveflat. Er waren dingen stuk in de woning. De wc deed het niet, er zat geen stortbak op. De huisbaas deed niks, omdat we krakers waren.

In gevecht met de gemeente.
‘Eigenlijk wilde de GWS ons er direct uitzetten. Drie maanden nadat we de woning gekraakt hadden, het moet rond kerst geweest zijn, kregen we een wijkagent en iemand van het Bureau Huisvesting over de vloer. Die kwamen vertellen dat wij er uit moesten. We zouden nog een officiële uitzettingsbrief krijgen, waar we tegen in beroep konden gaan. Dat hebben we toen gedaan. Vervolgens hebben we contact opgenomen met gemeenteraadsleden van de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) en de Communistische Partij (CPN). Met de PvdA namen we geen contact op, want de wethouder die ons eruit wilde hebben, Arie Verboom, was zelf een PvdA’er. Maar we werden toch door hem uitgenodigd op gesprek. We zijn toen op audiëntie geweest bij de heer Verboom. Die vond dat wij als medewerkers van de Onderwijswinkel het slechte voorbeeld gaven.’

Het bezwaar van Verboom kwam zelfs nog in het Leidsch Dagblad. ‘In januari 1976 zei Verboom tegen de krant dat de mensen van de onderwijswinkel het goede voorbeeld moesten geven en daarom niet moesten kraken. Wij hebben dat later nog in een ingezonden brief uitgelegd. Ook aan Verboom legden we uit dat we alles hadden geprobeerd voordat we gingen kraken. Verboom vond domweg dat we maar terug hadden moeten gaan naar waar we vandaan kwamen. Ik antwoordde hem dat we al meer dan twee jaar in Leiden woonden en werk hadden. Maar dat telde volgens Verboom niet, want dat was slechts tijdelijk werk. We konden weer vertrekken.
Omdat het gesprek met Verboom niets opleverde, hebben we onze andere contacten in de gemeenteraad ingezet. We hebben er toen een raadscommissiezaak van gemaakt. In onze eerste ingezonden brief in het Leidsch Dagblad hadden we geschreven dat wij als WSW’ers gediscrimineerd werden. Waarom werden wij als WSW’ers niet als volwaardige arbeidskrachten gezien? Dat had succes. Op een bepaald moment veranderde de PvdA van mening en diende ze een motie in. Ze waren het er niet mee eens dat WSW’ers niet beschouwd werden als economisch gebonden aan Leiden en daarom niet als woningzoekende. In april 1976 werden alle WSW’ers als economisch gebonden aan Leiden erkend.

We werden daarom met terugwerkende kracht ingeschreven bij het Bureau Huisvesting. We werden vervolgens opgeroepen bij de onderdirecteur van het Bureau Huisvesting, de heer Amptmeijer. Die was eerst van de PSP, maar zat niet meer in de gemeenteraad en was gemeenteambtenaar geworden. Hij vertelde ons dat we een alternatieve woning aangeboden zouden krijgen. Toen kregen we een woning in Zuidwest. Dat was gewoon legaal, het was een 3-kamerwoning in de Corellistraat.’

Kraken voor anderen
‘Ondertussen had de zaak van ons het Leidsch Dagblad gehaald. Daardoor kwamen er steeds vaker mensen uit Leiden Noord naar ons toe, die dachten dat wij wel wat van kraken afwisten. We werden door allerlei mensen benaderd met huisvestingproblemen. We wisten het ook niet helemaal en gingen ons er meer in verdiepen. Op dat moment hadden we zelf huisvesting en eigenlijk hadden we andere dingen aan ons hoofd, zoals de Onderwijswinkel. De Onderwijswinkel was in de loop der jaren een soort afvoerputje van de buurthulpverlening geworden. We hielpen niet alleen meer met onderwijsbegeleiding, maar met allemaal soorten zaken. Dus ook huisvesting.

Ik ben niet direct voor andere mensen gaan kraken. Ik ben niet direct voor andere mensen gaan kraken. Maar eind jaren zeventig kwamen er vanuit verschillende instellingen klachten dat er te weinig werd gebouwd voor bepaalde minderheidsgroepen in Leiden: Tweepersoonshuishoudens, migranten, weduwen, mensen die in de vrouwenopvang zaten. Er was een groep die daarover overlegde met de gemeente. Zij vroegen ons of wij daar als Onderwijswinkel mee te maken hadden. En dat was al zeker zo. In die tijd werkten we veel met jongeren die op zoek waren naar woonruimte. We sloten ons aan bij die groep en kwamen zo in contact met anderen die over woningproblematiek spraken.

We hoorden dat gemeenteraadslid Frits van Oosten van de links-katholieke Politieke Partij Radicalen (PPR) een lijst had opgesteld van lege panden in Leiden. Er gingen allerlei geruchten rond over leegstand. De Muurkrant had het er ook over. Op een bepaald moment kwamen we weer samen en stelde ik voor dat we een leegstandinventarisatie zouden maken. Dat werd een apart groepje en daaruit is de Leidse Kraakbond ontstaan.
Allerlei geruchten over leegstandIn 1978 hadden we onze eerste vergadering in de Willemsstraat. Er kwamen allerlei mensen op af, van de jongerenvakbond KWJ (oorspronkelijk: Katholieke Werkende Jongeren), van de Muurkrant en nog veel meer. We waren met tien of twaalf man en gingen dus leegstand inventariseren. We gingen ook naar een avond in Den Haag om met mensen daar te praten. Zo kregen we informatie en nieuwe ideeën. Na een week of drie of vier zei een van ons, Christien van Wel die ook de landelijke kraakbeweging volgde: “Dan en dan moeten wij het ook maar gaan doen, om ons bekend te maken.” We probeerden een pand aan de Janvossensteeg te kraken, maar dat mislukte want er zat een alarm in. Degenen die binnen zaten werden gepakt.’

Het kraakspreekuur
‘Intussen waren we begonnen met een Kraakspreekuur. We begonnen gewoon om te kijken hoe het ging, of er interesse was. Vanaf september 1978 kwam de zaak in een stroomversnelling. Het Kraakspreekuur was op maandagavond, van zes tot acht, in het pand van de KWJ aan het Noordeinde. Daarna hadden we dan een vergadering en daar bracht je in wat op het spreekuur binnen was gekomen, wat urgent was en wat niet. Die spreekuren waren steendruk. Veel mensen zagen kraken als optie en dachten erover na. Er kwamen zelfs hulpverleners langs. Soms kwamen er mensen die zelf al hadden gekraakt en tegen problemen aanliepen. Eigenlijk was het Kraakspreekuur een vorm van alternatieve hulpverlening. We hadden nooit verwacht dat het zo goed zou lopen. Soms zaten er mensen voor veertien panden op een spreekuur! We hadden zelfs op een gegeven moment de vraag: wie is het meest urgent? Er waren jongens die uit huis wilden en niet zo veel haast hadden. Die zeiden: “Als jullie een keer tijd hebben.” Andere gevallen waren meer urgent.’

Omdat het Kraakspreekuur een soort alternatieve hulpverlening was, moesten de medewerkers keuzes maken. ‘De mensen die binnenkwamen beoordeelden we. Kom je in aanmerking voor een particuliere kraak waarbij je niet aan de distributienorm moet voldoen?’ Al snel werd er een soort procedure ontwikkeld. ‘Als het ging om een gezin, dan werd er een contactpersoon aangewezen. Vervolgens werden er afspraken gemaakt over de kraakactie. Dat gebeurde vaak met de vader van het gezin. Soms was er iemand bij in geval van calamiteiten. Direct na de kraakactie ging er een brief naar de eigenaar om te zeggen dat we bereid waren om huur te betalen. We wisten dat we dat moesten doen. We kraakten niet omdat we geen huur wilden betalen, we kraakten omdat we een woning nodig hadden! Het kraken gebeurde dus niet met een grote groep. Het ging telkens om kleine acties.

We gingen verder met de leegstandsinventarisatie. We maakten onderscheid tussen particuliere woningen en distributiewoningen. Distributiewoningen waren woningen die de gemeente gebruikte voor huurders van sociale woningen wier huizen gerenoveerd werden. In het begin probeerden we die te vermijden bij het kraken. Aanvankelijk hadden we dertig woningen op de lijst. Die dertig woningen waren voornamelijk particuliere woningen. Met een particulier pand liep je meer risico op tegenwerking van de eigenaar. We hadden niet zoveel te vrezen van knokploegen. Dat is later wel wat meer gekomen, maar in het begin zeker niet.
Op een gegeven moment kwamen er mensen met adressen van distributiewoningen die soms al maanden of jaren leeg stonden. Toen dachten we: Dat klopt ook niet. Veel van dat soort distributiewoningen stonden aan de Oranjegracht en de Waardgracht. Daar zijn we erg actief geweest.

We hebben ook aan de Vrouwensteeg een pand gekraakt. Dat was een pand van slager Teekens. Dat stond al vijf jaar leeg. Daar hebben we toen een stel studenten die omhoog zaten in laten trekken. Ze kwamen niet in aanmerking voor een woning van de gemeente, omdat ze niet werden gezien als mensen die een band hadden met Leiden.’

Oranjegracht/Waardgracht
Aan het eind van de jaren zeventig werd er vooral veel gekraakt rond de Oranjegracht, omdat daar veel leegstand was. ‘Dat waren toen nieuwe woningen. Eind jaren zestig had men daar alle krotten afgebroken en in plaats daarvan nieuwe woningen gebouwd. De meeste waren eengezinswoningen en af en toe wat tweepersoonshuizen. Veel woningen bleven leegstaan. Ze waren te duur en de huursubsidie was voor veel mensen niet toereikend. Er waren woningen die al twee of drie jaar leegstonden. De meeste woningen waren van de GWS.

Het kraken rond de Oranjegracht ging heel snel. Er was op een gegeven moment iemand die wist hoe je cilinders uit de sloten moest halen. Dat ging daar heel makkelijk. Zelfs ik kon dat nog, terwijl ik helemaal niet handig ben. Op een gegeven moment was er een heel groepje krakers, onder leiding van Paul van Velzen, ook wel ‘Rooie Paul’ genoemd, die bij een of andere anarchistische beweging zat. Die probeerde de mensen die gekraakt hadden bij elkaar te houden en wat activiteiten te organiseren om zo goodwill te kweken bij de bewoners. Ze kregen veel contacten en hoorden daardoor wat er allemaal mis was met de woningen. Ze hielpen met het opstellen van klachtenlijsten. Dat werkte best goed, zolang de krakers er zelf maar geen rommel van maakten.
Geen drugs in de pandenWe waren heel streng bij het selecteren van wie we wel en niet hielpen met krakers. We zeiden: Geen drugs in de panden. Je moest je grenzen trekken, omdat je anders in problemen zou komen met de gemeente, politie of justitie. Als er drugs gesignaleerd zouden worden, kon de politie gelijk binnenvallen en een einde maken aan de kraakactie. Op een gegeven moment kregen de krakers uitzettingsbrieven toegestuurd. We tekenden bezwaar aan en gingen met bezwaarschriften naar de huurcommissie. In een paar gevallen lukte het.

Rond dezelfde tijd, in 1979, ging de woningbouwvereniging gekraakte woningen toewijzen aan mensen die nog geen woning hadden. Dat was heel erg smerig. Ze hoopten dat die mensen zo zouden handelen dat de krakers er uit zouden gaan. Op een gegeven moment kreeg zelfs Jos van Putten, een gemeenteraadsraadslid van de PSP, zo’n woning toegewezen. Toen kwam het onder de aandacht. We zijn toen ook naar een raadsvergadering gegaan: We gingen op de tribune zitten en hebben daar het Lied voor Betere Woningverdeling gezongen, met een blazersbegeleiding! We hebben de zaal helemaal plat gespeeld.

Uiteindelijk dreigde een situatie aan de Oranjegracht uit de hand te lopen. Een gekraakte woning was toegewezen aan een familie. Toen ze met hun spullen voor de deur stonden, bleek dat ze er niet in konden. Er ontstond een conflict. Wij van de Leidse Kraakbond stelden de familie een andere woning voor, maar die woning was niet schoon. Er lag vuil en stof. Dus zij zeiden: “Daar gaan we niet in.” Daarop stelde ik voor: Laten we dan ruilen. Maar toen kregen we onderling een conflict. De mensen die daar gekraakt hadden waren bang dat er dan van alles geruild moest worden. Maar ik vond dat er niets mis was met de ruil. Als we het andere pand zouden schoonmaken, hadden we een pand terug. Met dat voorstel was dus niks mis.

Die familie trommelde vervolgens bekenden op en dreigde het pand met geweld in te nemen. Zo van: Dan komen we wel even orde op zaken stellen. Een gedeelte van de krakers vond dat we het pand in dat geval met geweld moest verdedigen. Dat zag ik niet zitten. Je kon er niet zomaar een knokpartij van maken. Ik was daar toen met Harry Schoch en we besloten toen om Peter Scheffer van de recherche te bellen, wat verder niemand wist. We vroegen hem om op een bepaalde tijd langs te komen om te voorkomen dat er een knokpartij zou ontstaan. De politie kwam inderdaad en was met zo’n veertig man. Dat was maar goed ook, want een van de jongens uit de familie had gasten uit het kamp opgeroepen, en die waren met staven en dergelijke aan komen zetten. Toen kwam dus de politie. De leiders van beide partijen moesten mee naar het bureau. Later is er nog iemand meegegaan, want een gedeelte van de krakers vertrouwde mij niet helemaal. We hebben de familie gezegd dat geweld niet kon. Ze moesten een rechtszaak beginnen, en zo hun recht halen.

Zo werd een escalatie voorkomen. Maar toen het voorbij was, had ik al wel het gevoel: Hoelang blijf ik hier nog bij? Ik was helemaal opgegaan in het kraken en stopte niet zoveel tijd meer in de Onderwijswinkel. Ik raakte in te veel dingen verzeild. Het werd een beetje te veel. Dat kon niet meer met de gezondheid. Het was inmiddels zomer 1980. We hebben toen een evaluatie gehouden met de groep. Een van onze doelen van de Kraakbond was het aan de kaak stellen van woningnood, huisjesmelkers en andere misstanden. Dat was ondergesneeuwd geraakt. Door de hulpverlening was dat toen uit het zicht verdwenen. Het kraakspreekuur bleef daarna nog even bestaan. Maar de hulpverlening werd minder belangrijk. In diezelfde tijd begonnen we te werken aan een Zwartboek over kraken en woningnood in Leiden.

Minder kraken, meer politiek
Met het Zwartboek konden we meer politiek bedrijven. We mochten het Zwartboek bijvoorbeeld komen toelichten bij de gemeente. We gingen ook naar een ledenvergadering van de PvdA om te praten over het woningbeleid. In een ander geval kwam ik er achter dat het energiebedrijf namen doorgaf van krakers aan eigenaren. Wat was er nou gebeurd? Mensen in de Prins Hendrikstraat kregen een uitzettingsbrief van de eigenaar. Maar hoe kon die nou hun namen weten? Ik dacht; misschien door het energiebedrijf? Ik heb toen gebeld als dhr. Van den Berg en gezegd dan er in een van onze panden krakers waren. Ik had zogenaamd vruchteloos geprobeerd contact te leggen en wilde nu weten wie gas en licht aangevraagd hadden. Ik kreeg die namen meteen. Toen wisten we genoeg. Vervolgens vertelde ik wie ik echt was en die man schrok zich een ongeluk. Zulke dingen, het opgeven van namen, gebeurden in argeloosheid, maar kon voor krakers grote gevolgen hebben.

Inzet van de ME vonden we te ver gaan.Mensen gingen veel vaker zelf kraken. In Leiden Noord waren er een aantal tijdelijke wisselwoningen neergezet en een aantal daarvan was gekraakt. Daar ging het mis in 1980. Iemand die een wisselwoning werd uitgezet dreigde de boel in de fik te zeten. Een aantal gasten draaiden compleet door. De Mobiele Eenheid kwam er zelfs aan te pas. Het bleken een aantal bekenden van het kraakspreekuur bij te zijn. Ik was er zelf niet bij, maar las het later in de krant. Inzet van de ME vonden we te ver gaan. We hebben een steungroepje gevormd met twee of drie mensen en de mensen die uitgezet zouden worden. Uiteindelijk zijn ze toch ontruimd.

Er waren ook mensen die kraakten en er geld voor vroegen. Dat gebeurde ook. Er was iemand die dat deed voor honderd gulden en verder niks deed voor de mensen. We moesten eerst duidelijk maken dat wij dat echt niet waren. Er waren wel meer krakers die op eigen houtje kraakten. Ik heb later niet meer gehoord dat ze dat voor anderen tegen een vergoeding deden.

Begin jaren tachtig werd ook de Rex-bioscoop gekraakt. Het doel was om daar een cultureel centrum te starten. Ik was daar zelf niet meer bij betrokken. Voor mij was woningnood het belangrijkste, dat er mensen op straat stonden. Gebouwen voor andere activiteiten, daar kwamen we niet aan toe. Het ging bij ons vooral uit van de gedachte dat mensen een dak boven hun hoofd moeten hebben.’

Het einde
‘Voor mij was het jaar bij de Leidse Kraakbond heel intensief. Daarna ben ik eruit gegaan. Het werk had me heel veel energie gekost. Daarbij begon men ook bij de Onderwijswinkel te vragen wat ik aan het doen was. Officieel was ik daar als WSW’er in dienst. Ik ben me toen daar weer op gaan richten. Na oktober 1979 heb ik het Leidse kraken vooral vanuit de verte dingen meegemaakt. Je hoorde dan nog wel dingen. Ik stond op een sneeuwballijst, waarvan we gebruik maakten wanneer er hulp nodig was. Iedereen belde dan vijf of zes mensen. Er werd een lijst gemaakt van mensen vanuit de kraakbond die konden bellen. Ik herinner me dat het een keer of vier is gebeurd. Daarnaast begon ik met het Muziekcentrum Leiden Noord. Dat liep meteen heel goed en daar ben ik nog steeds bij betrokken.’